• 01
  • 02
  • 03
  • 04
  • 05
011 022 033 044 055

- Historie

De Joodse begraafplaats in Oisterwijk dateert van 1748. In 1761 is er sprake van de aankoop van een stuk grond voor f 10.= ter plaatse geheten "achter de Boeijens". Omstreeks 1880 wordt een vereniging opgericht die samen met de Joodse gemeenschap in Oisterwijk de begraafplaats in eigendom krijgt.

De Joodse begraafplaats is sinds 2015 eigendom van de Stichting Joods begrafeniswezen Brabant.

Op deze pagina zal de historie van de begraafplaats steeds worden aangevuld.

 

Afgebeeld de grafsteen op het graf van Levi Hartog begraven in 1809. 

 

Opschrift:

 


Hier rust een rechtschapen man die parnas en bestuurder was de eervolle Leib, zoon van David, overleden aan de vooravond van de tiende van de maand Tewet en begraven donderdag 21 Tewet 5570. Moge zijn ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven. 

 

 

 

Inhousopgave.

1. Praktische zaken ten aanzien van joodse begraafplaatsen

2. De eerste joden in Oisterwijk rond 1740

3. 

 

 

 

1. PRAKTISCHE ZAKEN TEN AANZIEN VAN JOODSE BEGRAAFPLAATSEN

Begraafplaatsen staan bij joden in hoog aanzien. De band met het voorgeslacht is erg sterk. Daarom blijven Joden de graven

van gestorven familieleden bezoeken. De begraafplaats kent een bepaalde heiligheid, waarmee bij het betreden van de begraafplaats terdege rekening wordt gehouden.

• De begraafplaats is particulier terrein. Hiervoor gelden dus ook de wettelijke bepalingen en regels welke van toepassing zijn voor particulier eigendom.
• Joodse begraafplaatsen behoren aan hen die er begraven liggen. De overledenen hebben hier hun eeuwige rustplaats. De begraafplaats heeft een zelfde heiligheid als een synagoge en men gedraagt zich bij bezoek als ware men in een synagoge, dus onder meer:
- heren hebben het hoofd bedekt
- men lope niet over de graven, maar volgt de paden
- de begraafplaats dient niet ter verpozing; dus geen etenswaren, muziek, zitten / leunen op zerken etc.
• Grafzerken op begraafplaatsen in Nederland zijn juridisch eigendom van de grondeigenaar en economisch eigendom van de nabestaanden. In voorkomende gevallen zijn met betrekking tot de vermelde persoonsgegevens de wettelijke bepalingen van toepassing. Publicatie van persoonsgegevens is alleen toegestaan met toestemming van de begraafplaatsbeheerder.
• Joodse begraafplaatsen zijn geopend voor grafbezoek op de daartoe bestemde openingstijden. Op sjabbat en Joodse feestdagen zijn de begraafplaatsen gesloten.

De gehele begrafenis van huis of mortuarium tot en met het verlaten van de begraafplaats wordt lewaja – begeleiding genoemd.

Elke begrafenis is altijd zeer sober en zo is ook de begraafplaats. Bloemen worden niet neergelegd, noch wordt er muziek ten gehore gebracht. Alles indachtig: ‘Met lege handen komt men op de wereld en met lege handen verlaat men de aarde ook weer’ (Job1:21).

Op de meeste Joodse begraafplaatsen worden de doden richting de Tempel te Jeruzalem begraven, vanuit Nederland is dat richting het oosten. Eens zal van daaruit de opstanding der doden beginnen. Voorafgaand aan de begrafenis wordt ten teken van rouw een inscheuring in een kledingstuk van de meest betrokken nabestaanden gemaakt. Zoals eens aartsvader Jakob deed bij het bericht dat zijn zoon Jozef was verscheurd door een wild dier. De rouwenden blijven die kleding gedurende de rouwweek – sjiwwe dragen.

Op de begraafplaats is vaak een ruimte, waar eerst een speciale dienst gehouden wordt. Het doel van die dienst is om tot voorspraak te dienen ten bate van de overledene. Het eerste gebed dat wordt gezegd is ‘Tsiddoek Hadien’, erkenning van de Goddelijke rechtspraak, gebaseerd op verschillende bijbelverzen, gevolgd door een rouwrede, een hespeed, waarin de verdiensten van de dode worden gememoreerd.

Dan wordt de kist door mannen van de eigen gemeenschap naar het graf gedragen onder het reciteren van psalm 90:17, de gehele psalm 91 en een mystiek gebed Ana Becho’ach. Hierbij wordt de kist driemaal neergezet. Bij het gedolven graf aangekomen laten de dragers de kist in het vers gedolven graf zakken, waarbij de tekst uit Daniël 12:13 wordt gezegd: ‘Ga naar uw eindbestemming en blijf rusten, om weer op te staan volgens uw lot aan het einde der dagen’.

Daarna gooien de mannen drie scheppen zand op de kist. Men zegt daarbij de woorden uit Prediker 12:7: ‘De stof keert terug naar de aarde, waaruit ze ontstaan is; de ziel echter keert terug tot G-d, Die haar gegeven heeft’. De spade wordt hierbij niet aan elkaar worden doorgegeven, maar wordt weer in de zandheuvel gestoken.

Wanneer er tien Joodse mannen bij de begrafenis aanwezig zijn, dan zeggen de mannelijke nabestaanden nu het kaddiesjgebed, een gebed ter heiliging van G-ds naam, waar het begrip noch het woord dood in voorkomt, maar dat in de lange geschiedenis van het Joodse volk wordt gezegd wanneer overledenen worden gememoreerd. Rabbijn S.Ph. de Vries, auteur van ‘Joodse riten en symbolen’ noemt het kaddiesjgebed ‘Hymne van G-ds koningschap’.

Daarna wordt de psalm 23 gezegd: De Heer is mijn herder; mij zal niets ontbreken. Voordat men bij het graf weggaat, wordt nog een gebed gezegd, waarin het begrip ‘herleving van de doden’ uit Jesaja 26:19 naar voren komt.